Een franchisegever beëindigt na ruim twintig jaar de samenwerking met een Slowaakse franchisenemer. De rechtbank stelt haar in het gelijk. In hoger beroep blijft het einde van de samenwerking in stand, maar moet de franchisegever toch € 600.000 betalen, vermeerderd met wettelijke rente.
Hoe een opzegging alsnog tot een kostbaar afscheid kan leiden, blijkt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178).
Wat speelde er?
Tommy Hilfiger werkte sinds 2001 samen met de Slowaakse franchisenemer Denim Group. In 2005 sloten partijen hun eerste franchiseovereenkomst en in 2010 volgde een nieuwe Master Franchise Agreement, de MFA. Na het verstrijken van de overeengekomen looptijden zetten zij hun samenwerking feitelijk voort.
In augustus 2022 beëindigde Tommy Hilfiger de relatie. Volgens haar voldeed Denim Group niet langer aan verschillende voorwaarden. Zij zou geen bankgarantie hebben verstrekt, de winkels niet tijdig hebben vernieuwd en te weinig aan marketing hebben besteed.
De rechtbank Amsterdam oordeelde op 21 februari 2024 dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig had beëindigd. De vorderingen van Denim Group werden afgewezen. Ook wees de rechtbank de tegenvordering van Tommy Hilfiger toe: € 447.018,30 aan annuleringskosten voor niet-afgenomen bestellingen.
Het hof komt tot een andere uitkomst. Daarbij vallen twee punten op die ook buiten deze zaak relevant zijn.
1. Opzegging is niet hetzelfde als ontbinding
Tommy Hilfiger beriep zich op artikel 12.4 van de MFA. Volgens het hof ziet die bepaling niet op een reguliere opzegging, maar op voortijdige ontbinding wegens een tekortkoming van de franchisenemer. Daarvoor moest eerst een notice worden verstuurd, waarna Denim Group vijftien dagen de gelegenheid kreeg om de tekortkoming te herstellen.
Die herstelmogelijkheid was niet geboden. Dat de gestelde tekortkomingen volgens Tommy Hilfiger al langer speelden, maakte dat niet anders. Een contractueel herstelrecht is geen formaliteit die kan worden overgeslagen.
Daar kwam bij dat het hof onvoldoende grond zag voor de gestelde tekortkomingen. Tommy Hilfiger had niet duidelijk gemaakt waarom de financiële verplichtingen uit de inmiddels verstreken MFA onverkort waren blijven gelden. Voor de bankgarantie ontbrak bovendien duidelijkheid over de omvang en grondslag. Bij de refits lag het initiatief volgens de overeenkomst bij Tommy Hilfiger zelf. Ook was gemotiveerd weersproken dat Denim Group te weinig aan marketing had besteed.
Tommy Hilfiger kon de beëindiging daarom niet op artikel 12.4 van de MFA baseren. De relatie moest worden beoordeeld als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2. Een opzegging kan geldig zijn en toch tot schadevergoeding leiden
Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is in beginsel opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter meebrengen dat daarvoor een voldoende zwaarwegende grond nodig is, een opzegtermijn in acht moet worden genomen of een aanbod tot schadevergoeding moet worden gedaan.
Onder verwijzing naar het Leen Bakker-arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709) onderscheidt het hof twee situaties.
1. De opzegging had gepaard moeten gaan met een aanbod tot schadevergoeding. De opzegging blijft dan geldig, maar de rechter kan alsnog een passende vergoeding vaststellen.
2. De opzegging is zonder een gelijktijdig aanbod tot passende schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. In dat geval is de opzegging niet geldig.
In deze zaak hoefde het hof de geldigheid van de opzegging niet meer te beoordelen. Denim Group had zich bij het einde van de samenwerking neergelegd en verlangde uitsluitend schadevergoeding. De geldigheid van de opzegging was daarmee, in de woorden van het hof, een gepasseerd station.
Hoe komt het hof tot € 600.000?
Het hof kijkt naar de onderneming die werd geraakt. Medio 2022 waren acht winkels operationeel, met lopende huurovereenkomsten en ongeveer tachtig werknemers. Er werden nog bestellingen geplaatst en uitgaven aan marketing gedaan. Van winkels zonder toekomstperspectief was volgens het hof niet gebleken. Denim Group beschikte dus over een lopende onderneming, een klantenbestand en goodwill.
Tommy Hilfiger had de beëindiging zo moeten inrichten dat Denim Group een reële mogelijkheid kreeg een andere franchisegever te vinden. De verschillende opzegtermijnen per winkel maakten dat juist moeilijker. Bovendien had Tommy Hilfiger bij de opzegging geen enkele schadevergoeding aangeboden.
Het hof acht die gang van zaken in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid en stelt de vergoeding schattenderwijs vast op € 75.000 per winkel. Voor acht winkels komt dat neer op € 600.000. In dit bedrag zijn misgelopen inkomsten, mogelijke extra kosten en goodwill verdisconteerd. Daarover is vanaf 31 augustus 2022 ook wettelijke rente verschuldigd.
Ook de annuleringskosten vervallen
De door de rechtbank toegewezen annuleringskosten van € 447.018,30 houden in hoger beroep evenmin stand. Tommy Hilfiger had onvoldoende rekening gehouden met de belangen van Denim Group en moest begrijpen dat de wijze van opzegging tot annulering van bestellingen kon leiden. Denim Group plaatste zelfs nog enkele dagen voor de opzegging nieuwe bestellingen. Onder die omstandigheden is het beroep op de annuleringsregeling volgens het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Volg bij beëindiging van een franchiserelatie nauwkeurig de overeengekomen regeling en maak onderscheid tussen opzegging en ontbinding. Wie zich beroept op een tekortkoming, moet niet alleen kunnen aantonen dat de betreffende verplichting nog geldt, maar ook een overeengekomen hersteltermijn respecteren.
Het exittraject hoort bovendien bij het besluit tot opzegging, niet bij de nasleep. Denk vooraf na over een werkbare opzegtermijn, de mogelijkheid voor de franchisenemer om de onderneming voort te zetten en een passend aanbod tot schadevergoeding.
Goodwill is daarbij geen abstract begrip. Operationele winkels, personeel, lopende verplichtingen, marketinguitgaven en een opgebouwd klantenbestand vormen concrete aanknopingspunten voor de begroting van een vergoeding.
Toch blijft de rekensom onzeker. Ook een franchisegever die tijdig waarschuwt, een overgangsperiode biedt en een vergoeding voorstelt, kan jarenlang procederen over de hoogte daarvan. De verplichting wordt steeds duidelijker, maar het prijskaartje laat zich vooraf nog lastig bepalen.
Auteur: Chantalle Damen, Advocaat bij Bierens Law




